“Andalusisch logboek”

Facebookmail

Naar aanleiding van onderstaand boek, hebben we nogmaals een bezoekje gebracht aan het prachtige dorpje”Alhama de Granada”, (niet te verwarren met het Alhambra), waarover later meer op de site, maar we zouden en moesten ons culinair gaan laten verwennen in de beste tapabar van Axarquia : El Tigre.

Uit de pen van Fred Int Panis, mijn soulmate en lieve echtgenoot.

Tot nader order en wellicht voor altijd mijn gids voor Andalucia: het “Andalusisch logboek” van meesterschrijver Stefan Brijs. Hij schreef uiteraard geen toeristische gids. Eerder, zoals de titel het aangeeft, een logboek per maand van een periode van één jaar, van januari tot december (2016).

In die 12 maanden ontdekt Brijs z’n nieuwe thuis in het zuiden van Spanje, in de Axarquia. Dit is de streek ten oosten van Malaga, tot aan de grens met de provincie Granada, en in het zuiden natuurlijk begrensd door de Middellandse Zee. Kustplaatsen als Torre del Mar, Nerja, of Torrox genieten wat bekendheid, maar verder is Axarquia vrij onbekend én bijgevolg authentiek en zeer Spaans. Of Andalusisch, zo u wil.

Hier ligt Axarquia

Brijs beschrijft z’n langzame, niet evidente kennismaking met streek en bewoners via treffende portretten van o.a. de postbode, die niet te overtuigen is welk pakketje ook langs te brengen, de klusjesman José, Alfonso die de nieuwe schrijfhut van Brijs een laag verf geeft, Pedro die de olijven oogst in Brijs’ tuin en daar, niet alle jaren, een paar liter olie voor teruggeeft.

Maar Brijs beschrijft ook de talloze tochten die hij maakt. Over heel Andalusia. Naar Cadiz in het westen en Almuñecar en verder naar de Cabo de Gata in het oosten, naar Antequera in het nabije noorden, maar ook verder, naar Marchena, Lucena, Zuheros en nog ver voorbij Jaén naar Cazorla. Hij beleeft de Semana Santa in Málaga, waar de grootste tronen van heel Andalusia in processie worden rondgedragen. Hij proeft anís, de Spaanse variant van pastis, ouzo of raki. Hij bezoekt El Coto de Doñana, het nationale park aan de monding van de Guadalquivir, en ziet de bedreigingen voor die unieke natuur.

Langzaamaan voelt Brijs zich meer en meer thuis in Andalusia.  Hij doorbreekt de hermetische poëzie van García Lorca, Hij zoekt en vindt unieke kunstwerken van Zurbarán, Cano en El Greco.  Hij ervaart dat je soms truken van de foor moet gebruiken om te mogen zien wat je wil zien. Je een eenzame oude priester in z’n waarde maar ook stilte moet erkennen, al eens een ladder op moet, en dat een bescheiden dame van een toeristenbureau het al eens beter weet dan eminente onderzoekers.

Dat Stefan Brijs ook ornitologische interesses heeft, en anderzijds, dat hij ook de Spaanse politiek niet onbesproken laat, stoort niet in dit werk. Die Spaanse politiek, of onpolitiek als je wil, beïnvloedt ook het Andalusische leven van elke dag. Andalusia blijft, ondanks het toerisme aan de kuststreek, een arme en ruwe regio, waar de maaltijd van mañana niet voor iedereen een evidentie is. Brijs pent zijn impressies overtuigend en geloofwaardig neer.  Hij boeit van blz 1 tot blz 315.  Ergens tegen het einde kom je ook te weten waarom nu precies dit schilderij van Dora Carrington de cover siert.  Uiteindelijk kom je heel veel te weten.  En blijf je benieuwd naar nog veel meer.  Een tijd in ter plekke verblijven helpt van dit boek te genieten.

Door Andalusia cruisen wordt met het Andalusisch Logboek een verrijkend avontuur.

Facebookmail